History

Koninklijke Marine

Molukkers bij de Marine is de slepende ontslagkwestie bespaard gebleven,
die de Molukse ex-KNIL-militairen zoveel parten heeft gespeeld.

Er was in Nederlands-Indië namelijk geen aparte koloniale marine, zoals er wel een aparte koloniale landmacht was (het KNIL). De bemanning van de Nederlandse vloot in Nederlands-Indië was gewoon onderdeel van de Koninklijke Marine.

Molukse marinemannen in het Marine Opleidingskamp te Hilversum.
(Foto: MuMa)

Staand van links naar rechts: P. Tapiheru, B. Latuheru, W. Ledux de Fretes, J. Pattiasina,
Ch. Kramer,  
P. Leunora, U. Latuny, J.J. Hoogendoorn, H. Kapoh, D. Parinussa, B. Kukupessy,
J. Luhulima, E
. Souhoka, L. Maitimu; zittend van links naar rechts U. Tomasowa,
A. Karanelan, E. Paais, A. Rumahruson, D. Rikumahu,
O. da Costa, M. Malaihollo en P. Adriaansz.

Bij de soevereiniteitsoverdracht van Indonesië werd de Nederlandse vloot aldaar niet opgeheven, maar slechts teruggetrokken.

Aan ‘inheemse schepelingen’, waaronder Molukkers, werd geadviseerd om óf over te gaan naar de Indonesische marine, óf te demobiliseren. Maar anders dan bij KNIL-militairen was deze keuze
niet dwingend.

Molukse marinemensen konden dus gewoon in Nederlandse militaire dienst blijven. Zij die daarvoor kozen werden na de soevereiniteitsoverdracht met hun gezinnen overgeplaatst naar Nederland,
de Nederlandse Antillen of naar Nederlands Nieuw-Guinea.

Met de boottransporten van 1951 kwamen 67 marine-Molukkers en circa 300 gezinsleden naar Nederland. Nog 32 anderen kwamen op andere wijze hierheen. In Nederland werden ze eerst opgevangen in voormalige werkkampen en marine-pensions in Medemblik, Klundert, Arnhem
en Doorn.

Later werden ze normaal gehuisvest in de omgeving van marinekampen: in Den Helder, Amsterdam en Loosdrecht. De meeste marine-Molukkers zijn tot aan hun pensioen in dienst gebleven

KNIL

De ongeveer 12.500 Molukkers die in 1951 naar Nederland zouden komen, waren bijna allemaal ver van de Molukken verwijderd, toen eind 1949 het Nederlandse gezag over Indië werd overgedragen aan Indonesië. De meeste mannen onder hen waren als militairen met hun gezinnen ingekwartierd in kazernes (tangsi’s), verspreid over andere delen van de Indonesische archipel.

Verreweg de meeste Molukse militairen behoorden tot het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Bij de soevereiniteitsoverdracht hadden Nederland en Indonesië afgesproken dat het KNIL op 26 juli 1950 zou worden opgeheven.

Voor Nederlandse militairen betekende de opheffing dat ze zouden worden gerepatrieerd. De Molukse (en andere inheemse) militairen konden kiezen:

  • óf gedemobiliseerd worden op een ‘plaats naar keuze binnen Indonesië’
  • óf de overstap maken naar de APRIS, het leger van de Verenigde Staten van Indonesië.

RMS-demonstratie in Jakarta, 7 november 1950. (Foto: MuMa)

Voor de meerderheid van de Molukse KNIL-militairen was overgang naar de voormalige vijand een moeilijke stap. Toch werd het idee niet direct afgewezen. Wel stelden de militairen een aantal voorwaarden. Zo wilden ze niet afzonderlijk, maar als eenheden overstappen naar de APRIS, en wel onder hun eigen officieren. Bovendien wilden zij in Oost-Indonesië gelegerd worden, zoals ook door Oost-Indonesische politici werd gewenst.De onderhandelingen over een overstap waren nog in volle gang, toen in april 1950 op Ambon de Republik Maluku Selatan (RMS) werd uitgeroepen. De meeste Molukse militairen kozen toen de kant van de RMS. Demonstraties in Jakarta en elders waren het gevolg. Zelfs kwam het in Makassar tot gewapend treffen tussen Molukse KNIL-soldaten en de APRIS. Met deze verscherping van de tegenstellingen was overstappen naar het Indonesische leger van de baan. De Molukse militairen wilden nu gedemobiliseerd worden.

Demobilisatie – maar waar?

Al van oudsher stond in de regels van het KNIL dat militairen bij hun demobilisatie zelf mochten kiezen waar zij ontslagen wilden worden. Wel moest die ‘plaats van keuze’ liggen binnen de grenzen van Nederlands-Indië.

De Molukse militairen op Java en elders die medio 1950 gedemobiliseerd wilden worden, wezen onomwonden Ambon aan als plaats van demobilisatie. Niet alleen om zo ‘thuis’ te zijn, maar – na 25 april 1950 – ook om daar de RMS te gaan steunen. Reden genoeg voor Indonesië om de keuze voor Ambon als plaats van demobilisatie te blokkeren.

Nederland had op grond van de akkoorden met Indonesië overeenstemming nodig met de Indonesische regering over de plaats van demobilisatie. Toen Ambon voor Indonesië onaanvaardbaar was, kozen de meeste militairen voor Nederlands Nieuw-Guinea. De omstandigheid dat dit gebied Nederlands bleef en aan de Molukken grensde, speelde daarbij een grote rol. Maar dat was voor Indonesië opnieuw een reden om tegen deze optie te zijn.

Wel was de regering in Jakarta bereid de Molukkers naar Ambon te laten gaan toen dit eiland op de RMS veroverd was. Heel even leek het erop dat de Molukse militairen hierop in zouden gaan. Tenminste, als zij garanties zouden krijgen dat het Indonesische leger hen daar na hun demobilisatie met rust zou laten.

Manifestatie voor de RMS in doorgangskamp Bandung-Tjimahi (‘Bamboekamp’),
met op tafel de RMS-vlag uitgespreid. (Foto: MuMa)

Door tussenkomst van RMS-minister P. Lokollo, die via Australië inmiddels in Nederland terecht
was gekomen, ging deze mogelijkheid echter weer van tafel. De Molukse militairen herhaalden hun verzoek om op Nieuw-Guinea gedemobiliseerd te worden. Of anders op Seram, waar het RMS-leger nog vocht. Indonesië én Nederland weigerden dat.

Als gevolg hiervan liet de voorgenomen demobilisatie nog op zich wachten.
Daarom werden de Molukse KNIL-militairen vlak voor de opheffing van het KNIL op 26 juli 1950 tijdelijk opgenomen in de Nederlandse Koninklijke Landmacht. Het was een noodoplossing, in afwachting van een definitieve demobilisatie.

Door de ‘tijdelijke KL-status’ bleven de Molukse militairen onder politieke verantwoordelijkheid
van Nederland en onderworpen aan de Nederlandse krijgstucht.

Geen ontslag op Java

In de loop van 1950 waren er gespannen situaties ontstaan in en rondom de verschillende kampementen waar de Molukse militairen en hun gezinnen verbleven. In Makassar werd in augustus 1950 zelfs gevochten tussen Molukse en Indonesische militairen.

In de nasleep van de gevechten in Makassar gaven de Nederlandse militaire autoriteiten het bevel dat alle Molukse militairen met hun gezinnen moesten worden overgebracht naar vijf grote doorgangskampen op Java:

  • Jakarta
  • Semarang
  • Malang
  • Bandung-Tjimahi
  • Surabaya
    Bijeenkomst voor de RMS in een doorgangskamp (tangsi) op Java. (Foto: MuMa)
    Het ging op dat moment nog om bijna 4.000 militairen. In hun rapporten klaagden Nederlandse officieren dat het steeds moeilijker werd de tucht in de kampen te handhaven. De Molukse militairen voelden zich door Nederland in de steek gelaten en lieten dat ook duidelijk blijken.Bij sommige Nederlandse officieren bestond veel sympathie voor de gevoelens van de Molukse militairen. Anderen legden de verantwoordelijkheid voor de ontstane situatie vooral bij henzelf.Begin december 1950 vond het Nederlandse kabinet (Drees-Van Schaik) dat niet langer gewacht kon worden met demobilisatie van de Molukse militairen. Vrees voor buitenlandse kritiek en voor verslechtering van de verhouding met Indonesië speelden hierbij een rol.Maar ook was het kabinet beducht voor kritiek in eigen land. Want zolang een oplossing uitbleef, moesten Nederlandse dienstplichtigen nog steeds dienst doen in Indonesië. Hun rol was om op te treden als buffer tussen de Molukse militairen en de hun vijandige Indonesische omgeving op Java.

    Sergeant-majoor F.A. Aponno. (Foto: familie Aponno.)

    De advocaat van de Molukse militairen, mr. K. van Rijckevorsel.
    (Foto: MuMa)

    Het kabinet overwoog daarom om de Molukkers, in afwijking van de KNIL-regels, op Java te demobiliseren. Maar dit voornemen stuitte op weerstand. Sinds augustus 1950 bevond zich namelijk een delegatie van Molukse militairen in Nederland, onder leiding van sergeant-majoor F.A. Aponno. Zij was gekomen om de belangen van de achterban te behartigen.
    De delegatie-Aponno spande een kort geding aan tegen de Staat om demobilisatie op Java te voorkomen.

    Met steun van advocaat mr. K. van Rijckevorsel werd dit proces tot in hoogste instantie gewonnen. De rechter verbood de Nederlandse regering om haar soldaten tegen hun zin achter te laten
    in het gebied van een hen vijandig gezind land. Daarmee was ook demobilisatie op Java van de baan.

    Nederland als alternatief

    Het was eind 1950, een jaar nadat de soevereiniteit aan Indonesië was overgedragen.
    Maar er was nog steeds een Nederlands leger van 9.000 man op Java aanwezig.
    Dat bestond uit zo’n 4.000 Molukse militairen wachtend op demobilisatie, plus ongeveer 5.000 Nederlandse militairen van de Koninklijke Landmacht. De laatsten fungeerden als buffer
    tussen de Molukse militairen en hun gezinnen enerzijds en de Indonesische omgeving anderzijds.

    Toen de rechter in Den Haag eind 1950 demobilisatie op Java had verhinderd, werd de impasse nog groter. De Molukse militairen wilden naar een gebied dat onder controle stond van de RMS,
    of naar Nederlands Nieuw-Guinea. Maar Indonesië stond geen van beide toe.
    En ontslag ter plekke was door het verbod van de Nederlandse rechter ook geen optie meer.

Bijeenkomst voor de RMS in doorgangskamp Bandung-Tjimahi (Bamboe-kamp).
Dominee Uneputty spreekt de aanwezigen toe. (Foto: MuMa)

Om uit de impasse te komen, besloot de Nederlandse regering de Molukse militairen tijdelijk
naar Nederland te halen. Dan konden de Nederlandse dienstplichtigen op Java eindelijk
ook naar huis.
De Molukse militairen in de doorgangskampen kregen het bevel te kiezen uit de volgende opties:

  • overgang naar het Indonesische leger
  • demobilisatie op Java
  • tijdelijke overbrenging naar Nederland.

Mochten de militairen niet willen kiezen, dan zouden ze op Java uit de dienst ontslagen worden.
Als ze voor Nederland zouden kiezen, hoopte de regering dat ze na een kort verblijf in Nederland alsnog naar Indonesië zouden terugkeren. Minister van Oorlog s’Jacob vond ‘opzending’ naar Nederland de ‘slechtst denkbare oplossing’.

In februari 1951 moesten de Molukse militairen uit de drie opties kiezen. Overgang naar het Indonesische leger hadden ze al eerder afgewezen. Net als demobilisatie op Java.
Er was dan ook eigenlijk geen sprake van een werkelijke keuze. Om die reden weigerden
de militairen in de kampen aanvankelijk om zich over de geboden mogelijkheden uit te spreken.

Dat veranderde toen de Molukse delegatie in Nederland (de delegatie-Aponno) op 16 februari 1951 liet weten dat met ‘opzending’ naar Nederland moest worden ingestemd. Voor veel Molukkers
was dat aanleiding om voor Nederland te opteren. Sommige Nederlandse commandanten
trokken twijfelaars over de streep door hen te bevelen aan boord te gaan.


Registratie van Molukse militairen en hun gezinnen
voor de inscheping naar Nederland. (Foto: MuMa)

De overtocht

Begin 1951 had de Nederlandse regering na veel wikken en wegen besloten om de Molukse militairen in de vijf doorgangskampen op Java met hun gezinnen ‘tijdelijk’ naar Nederland te halen.

Toen dat besluit eenmaal gevallen was, werd haast gemaakt. Er was echter onvoldoende Nederlandse scheepsruimte beschikbaar. Daarom werden door de regering overal in de wereld schepen gecharterd om de Molukkers snel uit Indonesië weg te krijgen.

Die actie leverde een bonte verzameling boten op, van vracht- tot cruiseschepen, elf in getal.
Bij elkaar verzorgden deze schepen twaalf transporten. Een van de boten, de Kota Inten,
werd namelijk twee keer ingezet.

Een levensgeschiedenis op een verhuiskist. (Foto: MuMa)

Het eerste transport vertrok op 20 februari 1951 van Java. Op 21 juni 1951 arriveerde het laatste transport in Nederland. In een tijdsbestek van vier maanden werden zo ongeveer 12.500 Molukkers overgebracht naar Nederland. Behalve ex-KNIL-militairen en hun gezinnen bevond zich hieronder ook Moluks personeel van de Koninklijke Marine en van de politievan de voormalige deelstaat Oost-Indonesië.

De leiding op de schepen was tweekoppig. Het gezag over het schip berustte bij de kapitein,
met zijn bemanning. Het commando over het transport lag bij de ‘Commanderend Officier Troepen’ (COT).

De COT had zijn eigen staf ter beschikking. Die bestond onder meer uit een administrateur,
een foerier (voor het voorraadbeheer) en medisch personeel. Een aantal Molukse onderofficieren werd aan de staf toegevoegd en kreeg een oranje band te dragen. Ook de scheepspolitie werd
uit de op transport gestelde troepen geselecteerd. Deze mensen kregen een witte helm
met daarop de letters ‘SP’.

Aan boord van de Kota Inten: spelen tussen de deklading. (Foto: MuMa)

Elke zeereis duurde ongeveer een maand. De meeste militairen bivakkeerden met hun gezinnen tijdens de reis in grote slaapzalen, ingericht in het ruim van het schip. Echte passagiershutten waren er vaak alleen voor moeders met jonge kinderen. En voor de aanstaande moeders, die indien nodig ook in de ziekenboeg werden ondergebracht.

Als gevolg van geboorten op reis kwamen er meer mensen in Nederland aan dan van Java vertrokken waren. Op Engelse schepen kregen deze baby’s volgens Brits recht bij hun geboorte de Engelse nationaliteit.

De Molukse opvarenden kregen aanvankelijk alleen rijstmaaltijden, later afgewisseld met aardappelen. Om alvast te wennen aan de ‘Hollandse pot’. Een veelbetekenende actie vond ongeveer halverwege de reis plaats: bij Port Saïd (aan het Suez-kanaal) werd winterkledij uitgereikt.

Kinderen die in Indonesië op de Europese lagere school hadden gezeten, kregen aan boord één uur per dag les in Nederlandse taal, rekenen en aardrijkskunde (kaart van Nederland!). Aan boord werd tijdens de overtocht enkele keren een scheepskrant uitgebracht.

Ook voor ontspanning werd gezorgd: er werden aan boord filmvoorstellingen, muziekuitvoeringen, kinderfeesten en spelletjes georganiseerd. Bij het passeren van de evenaar vond een Neptunusfeest plaats. Ook op Koninginnedag werd feest gevierd.

De ziekenboeg: veel aandacht voor de pasgeborenen. (Foto: MuMa)

 

Een kille aankomst

Op 21 maart 1951 arriveerde de Kota Inten als eerste schip met Molukkers in de Rotterdamse haven. Maar een prettige ontvangst viel de groep niet ten deel. Kort na aankomst kregen de militairen te horen dat zij ‘gedemilitariseerd’ waren – oftewel: ze waren ontslagen. Volgende groepen Molukse militairen kregen hun ontslagbericht soms al tijdens de reis uitgereikt.

Detail van de ontslagbrief (klik voor vergroting). (Bron: MuMa)

Het kabinet Drees-Van Schaik had al op 19 februari 1951 tot het ontslag besloten.
Dit besluit werd echter voorlopig niet naar buiten gebracht.

Later is wel gezegd dat de late bekendmaking kwam doordat er een kabinetscrisis tussendoor was gekomen. Maar wat zeker meespeelde, was vrees dat een ontslagbericht de bereidheid tot vertrek
bij de op Java achtergebleven Molukkers negatief zou beïnvloeden. En dat vertrek wilde Nederland hoe dan ook doorzetten.

Het ontslag uit militaire dienst sloeg in als een bom. Wel hadden de Molukse militairen altijd geweten dat de status van militair bij de Koninklijke Landmacht hen slechts tijdelijk was toegekend.
Maar zij waren er steeds van uitgegaan, dat ze pas op de plaats van hun keuze zouden worden gedemobiliseerd. En die plaats van keuze was in elk geval niet Nederland.

Nu waren de Molukkers werkloos, in een vreemde omgeving, aan de andere kant van de wereld – terwijl ze aanvankelijk ook niets anders mochten gaan doen.

De Molukse militairen voelden zich verraden door hun werkgever. Dit gevoel werd des te intenser ervaren, omdat zij vonden dat ze in de oorlog en tijdens de dekolonisatietijd hun leven voor Nederland hadden geriskeerd.

Waarom had de Nederlandse regering tot hun ontslag besloten? Ze vond het onjuist om soldaten
die formeel Indonesische staatsburgers waren, nog langer in de Koninklijke Landmacht te handhaven. Daar kwam bij dat men Indonesië had beloofd om de Molukse militairen na hun vertrek van Java niet meer voor operationele doelen te zullen inzetten. Wat heeft een leger aan militairen
die niet mogen vechten, zo redeneerde het kabinet.

Opvallend was dat de twee ministers die het meest bij deze kwestie betrokken waren, de Molukkers wèl in dienst hadden willen houden. Dat waren de ministers van Oorlog (s’Jacob) en van Overzeese Rijksdelen (Götzen). Zij meenden dat alleen zo orde en tucht onder de Molukkers gehandhaafd zouden kunnen worden.

Maar de meerderheid van het kabinet vond dat geen goede reden. De Molukkers zouden
als burgers worden gehuisvest in aparte woonoorden. En daar moest de politie de orde
maar handhaven.

Sergeant-majoor Saptenno spande namens zijn collega’s
een proefproces aan tegen het ontslag uit militaire dienst.
(Foto: MuMa)

De ontslagkwestie

De Molukse militairen legden zich niet zo maar neer bij hun ontslag uit militaire dienst. Ze gingen (opnieuw) naar de rechter. En in eerste instantie gaf de rechter hun gelijk: het Militair Ambtenarengerecht in Den Haag verklaarde het ontslag nietig.

De Staat tekende beroep aan tegen deze uitspraak bij de Centrale Raad van Beroep.
Maar algemeen werd verwacht dat de Molukkers ook in hoger beroep gelijk zouden krijgen.

En zo werden alle voorbereidingen getroffen om de Molukkers te remilitariseren.
Commandanten waren aangewezen, uniformen lagen klaar, bewakingsobjecten waren aangewezen.
Ook waren er regelingen getroffen om de woonoorden de status van kazernes te geven.

Er was zelfs al een dagorder van de chef van de Generale Staf opgesteld,
waarin hij de Molukse militairen opnieuw welkom heette in de Koninklijke Landmacht.

Fragment van de concept-dagorder van de chef van de Generale staf (klik voor een vergroting).
(Bron: Nationaal Archief)

Alle voorbereidingen mochten echter niet baten. Want op 4 maart 1952 verklaarde de Centrale Raad van Beroep dat het Ambtenarengerecht niet bevoegd was geweest om te oordelen inzake het ontslag van de Molukse ex-KNIL-militairen.
De voor de Molukkers zo gunstige uitspraak van het Ambtenarengerecht werd daarmee vernietigd.

De overweging van de Centrale Raad van Beroep luidde dat de Molukse militairen slechts tijdelijk ingedeeld waren geweest bij de Koninklijke Landmacht. Zij hadden daar geen formele (ambtelijke) aanstelling gehad.
En dus waren ze ook geen ambtenaar in de zin van de Militaire Ambtenarenwet 1931.

Na aankomst in Nederland bleven ontslagen militairen uniformen dragen
als teken van verzet tegen hun ontslag, hier bij een demonstratie op het Binnenhof.
(Foto: MuMa)

Na de teleurstellende uitspraak door de Centrale Raad van Beroep is nog herhaaldelijk voorgesteld aan de regering om de Molukkers uit eigen beweging – zonder rechterlijk bevel – opnieuw in het leger op te nemen. In het kabinet bleef echter een telkens wisselende meerderheid tegen remilitarisering.

Wel bood de regering medio 1952 een deel van de Molukse ex-militairen een bewakingsfunctie aan. Er zou bij voldoende belangstelling een burgerbewakingskorps worden opgericht. Maar de grootste Molukse organisaties voelden niets voor dat idee. Ze hadden grote bezwaren tegen het burgerkarakter van het korps. Toen zij ook nog politieke eisen (ten gunste van de RMS) verbonden aan deelname aan dit korps, was ook dit plan van de baan.

Advocaat Karel van Rijckevorsel met een Molukse delegatie
voor het Ambtenarengerecht in Den Haag. (Foto: MuMa)

Op de eerste rij van links naar rechts:
onbekend, dominee A.Z. Sahetapy, Th.O. Kuhuwael,
mr. K. van Rijckevorsel, D. Lilipaly, P. Thenu, onbekend en oom Wattimury;
rechts achter Kuhuwael: J. Hitipeuw (met hoed); tussen Van Rijckevorsel en Lilipaly: D. Loppies;
rechts achter Thenu: N. Waisapy.

 

De eerste opvang

Voordat de Molukkers in Nederland aankwamen, was hard gewerkt om voldoende huisvesting voor hen te vinden. Als gevolg van de Tweede Wereldoorlog was er een grote woningnood.
Gewone huizen waren voor de nieuwkomers dus niet beschikbaar.

Maar de overheid wilde de Molukkers ook niet in gewone huizen onderbrengen. Ze wilde hen zoveel mogelijk bij elkaar houden, weg van de Nederlandse samenleving. Het was namelijk niet de bedoeling dat ze hier zouden integreren. Wel dat ze zo snel mogelijk terug zouden gaan naar Indonesië.

Daarom werd een groot aantal complexen dat in gebruik was bij het Rijk vrijgemaakt en omgebouwd tot Molukse woonoorden. De diversiteit was groot: kazernes, opleidingsinstituten, gevangenissen
en kampementen van de werkverschaffing.

Kaart van de Molukse woonoorden in Nederland (klik voor een vergroting).
(Bron: Landelijk Steunpunt Educatie Molukkers)

 

Er waren óók twee terreinen bij die door de Duitsers als concentratiekamp waren gebruikt: Kamp Vught (omgedoopt tot woonoord Lunetten) en Kamp Westerbork (omgedoopt tot woonoord Schattenberg). Ook enkele kloosters en villa’s werden gebruikt.

De woonoorden lagen over heel Nederland verspreid. De meeste bevonden zich echter niet in het dichtbevolkte westen van het land. Ook waren ze in de regel buiten de bebouwde kom van dorpen en steden gesitueerd.

Het woonoord Lunetten te Vught. (Foto: MuMa)

 

Vanuit de aankomsthaven – Rotterdam of Amsterdam – werden de militairen en hun gezinnen eerst in bussen vervoerd naar het demobilisatiecentrum Amersfoort. Daar wachtte hen onder meer een medisch onderzoek. Vervolgens werden de mensen van Amersfoort uit naar de diverse woonoorden getransporteerd.

De Molukse marinemensen wachtte een andere bestemming. In tegenstelling tot hun landgenoten van het leger werden zij niet ontslagen.  Al snel werden zij individueel gehuisvest in woningen
bij hun nieuwe basis.

Aankomst van de Fairsea in de haven van Rotterdam. 


Bussen staan klaar om de Molukkers naar Amersfoort te brengen.

(Foto: MuMa)

Het werd niet als problematisch gezien om de Molukkers in woonoorden te huisvesten. Nederland kende in 1951 nog een groot tekort aan huizen. Bovendien gingen alle betrokken partijen ervan uit dat het verblijf van de Molukkers in Nederland toch maar enkele maanden zou duren. Ten slotte waren de militairen in Indonesië ook al gewend aan beperkte woonruimte in de kazernes.

Maatschappelijke zorg

Aanvankelijk was een groot aantal departementen betrokken bij de opvang. Coördinatie vond plaats in een interdepartementale commissie.

Direct na hun aankomst hadden de Molukkers vooral te maken met de Dienst Maatschappelijke Zorg (DMZ), een onderdeel van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Deze dienst was belast met de opvang van de Molukkers.

In de woonoorden werden beheerders aangesteld. Deze waren vaak afkomstig van de Dienst voor de Uitvoering van Werken (DUW). De DUW, een onderdeel van het toenmalige ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting, was belast geweest met het organiseren van werkkampen voor werklozen.

Ook werden kampleiders aangesteld, die onder meer verantwoordelijk waren voor het sociale beleid. Onder hen waren oud-bestuursambtenaren uit Indonesië.

De ingang van het woonoord Schattenberg in Westerbork.
(Foto: MuMa)

Al snel werd echter duidelijk dat de door hun ontslag gefrustreerde Molukkers moeilijk in de hand te houden waren. Daarom werd een voormalige KNIL-generaal (P. Scholten) benoemd tot ‘Hoofdleider Ambonese Woonoorden In Nederland’ (HAWIN). Ook werden in verschillende woonoorden oud-officieren als kampleiders geplaatst.

Gehoopt werd dat deze ex-militairen de nodige greep op hun voormalige ondergeschikten zouden hebben. Ook hun inzet had echter niet het gewenste effect.

In 1952 ging de opvang van de Molukkers over van de HAWIN naar een speciaal daarvoor opgerichte rijksdienst. Deze dienst heette het Commissariaat van Ambonezenzorg (CAZ). Het CAZ verhuisde na korte tijd van Binnenlandse Zaken naar het nieuwe ministerie van Maatschappelijk Werk.


De leiding van het CAZ: staand de Commissaris van Ambonezenzorg J. van Ringen;
verder van links naar rechts A.J.D. Dirksen, P.A. Lanting en J.F. Logeman.
(Foto: MuMa)

Het CAZ was de instantie die het Nederlandse beleid jegens de Molukkers vorm gaf. Het zou tot 1970 hét gezicht zijn van de Nederlandse overheid voor de Molukkers.

Door de intensieve en veelomvattende bemoeienis van het CAZ is er in het archief van deze dienst een schat aan informatie te vinden over de Molukse opvang. Dat CAZ-archief is intussen overgebracht naar het Nationaal Archief in Den Haag en kan daar worden ingezien.

Door hun ontslag hadden de Molukkers geen eigen inkomsten meer. Daarom kregen ze in de woonoorden zakgeld: drie gulden per week voor iedere volwassene en anderhalve gulden voor ieder kind. Werken werd in het begin niet aangemoedigd. Het voedsel werd bereid in een centrale keuken. Ook kleding en meubilair werden van overheidswege verstrekt.


Vanuit een centrale keuken werden de woonoordbewoners van eten voorzien.
Hier de keuken van woonoord Oranje te Fochteloo (Friesland).
(Foto: MuMa)

In de woonoorden werden door de overheid kampraden ingesteld. In deze Molukse raden zaten meestal de hoogsten in (gewezen) militaire rang. De raden waren bedoeld als schakel tussen overheid en kampbewoners. Daarmee dacht de overheid haar maatregelen beter te kunnen uitvoeren en binnen de kampen ingang te laten vinden.

De kampraad van Schattenberg in de sneeuw:
van links naar rechts P. Saptenno, P. Tunyluhulima, L. Mustamu en A. Salamoer.
(Foto: MuMa)

Maar de kampraden ontwikkelden zich integendeel steeds meer als spreekbuis van de bewoners
en als tegenspeler van de overheid. Ook gingen de raden fungeren als locale afdelingen van landelijke Molukse belangenorganisaties.

Wat vond de Nederlandse bevolking in 1951 ervan dat zij plotseling werd geconfronteerd met een grote groep mensen met een andere huidskleur en een andere cultuur? Nogal wat Nederlanders reageerden daar toen positief op, omdat zij wel wisten en waardeerden wat de Molukse militairen voor Nederland hadden gedaan. Organisaties zoals de stichting Door De Eeuwen Trouw (DDET) kregen veel steun, vooral uit conservatieve en protestants-christelijke hoek. De Nederlandse regering weigerde echter de RMS te steunen.

Zo begon de geschiedenis van het verblijf van Molukkers in Nederland.

De boten

Hieronder staat een alfabetisch lijstje van de 11 schepen die in 1951 de 12 Molukse transporten
naar Nederland verzorgden. Klikt u op een scheepsnaam, dan krijgt u nadere gegevens over die boot.

 

Scheepsnaam Reis Aankomst
Asturias 9 Amsterdam, 17 mei 1951
Atlantis 2 Rotterdam, 23 maart 1951
Castelbianco 4 Rotterdam, 24 april 1951
Fairsea 10 Rotterdam, 5 juni 1951
Goya 11 Rotterdam, 15 juni 1951
Groote Beer 6 Amsterdam, 6 mei 1951
Kota Inten, eerste reis 1 Rotterdam, 21 maart 1951
Kota Inten, tweede reis 12 Rotterdam, 21 juni 1951
New Australia 5 Amsterdam, 29 april 1951
Roma 3 Rotterdam, 8 april 1951
Skaubryn 7 Rotterdam, 10 mei 1951
Somersetshire 8 Amsterdam, 16 mei 1951

De gegevens zijn grotendeels gebaseerd op het boek van A. Lagenberg, Schakel tussen twee werelden (Amsterdam 1991). De meeste foto’s komen uit de Collectie Jim Worung van Museum Maluku. Ook het internet is geraadpleegd.

Tip voor meer informatie

De schepen waarmee de Molukse militairen en hun gezinnen in 1951 naar Nederland voeren, waren over het algemeen oude boten met een avontuurlijke geschiedenis.

Hierdoor is op het internet veel informatie te vinden over deze boten, waaronder ook foto’s. U kunt bij een bekende zoekmachine (zoals Google) de scheepsnaam intikken, liefst gevolgd door een tweede zoekwoord, zoals ‘ship’ en/of de naam van bouwwerf of rederij.

Let wel, de meeste en betere websites over zeeschepen zijn alleen Engelstalig.

 

Foto’s Molukkers in dienst van de Koninklijke Marine
Periode Ned-Indië en Nederland.

Bijeenkomst van de reünievereniging
van de Kweekschool voor Inlandsche Schepelingen (KIS).


Zittend: ex-bootsman Minggus Manuputty.
Staand: v.l.n.r. ex-sergeant machinist Wim Siahainenia, ex-adjudant bottelier Tom Patty,
ex-sergeant torpedomaker Busu Wattimena, ex-korporaal bottelier Dikus Parinussa,
ex-korporaal machinist Janus Louhenapessy, ex-matroos 1e klas Ezau Souhoka,
ex-korporaal bottelier Bertus Latuheru, ex-sergeant timmerman Nanni Lekatompessy,
ex-kwartiermeester Etja Hukum en ex-sergeant vliegtuigmaker Eno Satumalay.

Marine Molukkers

Onderstaande foto’s: Moluks Marinepersoneel.


Stoker olieman Izaac (Tjak) Latupeirissa


Bantji Lekranty geeft zoon Eddy zijn eerste gitaar


 Namen onbekend.

 

Bron: Moluks Museum